Voorproefje

Douwe, 14 jaar oud, wil weten wat voor man zijn overleden vader was. Als hij op zoek gaat, ontdekt hij een vreemd familiegeheim. Hieronder een klein voorproefje uit het boek.

Oktober, herfstvakantie

Voor de derde keer loop ik de straat in waar oom Sjoerd woont. Ik schuifel langs zijn huis. Daar zit hij, aan tafel. Het flauwe schijnsel van een computerscherm valt op het litteken in zijn rechterwang. Oom Sjoerd, de broer van mijn overleden vader, zwerver, ruziemaker, hork, volgens mijn moeder dan. Tegel voor tegel stap ik op het paadje naar de voordeur. Mijn vinger trilt boven de bel. Als gestoken trek Ik mijn hand terug. Ik lijk op hem, flitst het door me heen. Ik wil het liefst op een boot rondzwerven, doe ook niet wat de familie van me verwacht en ik heb ruzie gemaakt. De zware weekendtas slinger ik naar mijn andere hand, mijn rugzak duw ik op zijn plaats. Mijn hele hebben en houden zit er in. Weer gaat mijn vinger richting deurbel. Wat zal hij zeggen als hij me ziet? ‘Kom je me weer uitschelden voor moordenaar? Rot op, hier heb ik geen zin in. Ruziemaker, je bent net je vader.’

Ik zet mijn tas op de grond en laat mijn hoofd hangen. Ik ben mijn vader niet. Nou ja, natuurlijk erfelijke dingen zoals bruine ogen, krullen en een kuiltje in mijn kin. Toch voel ik me niet ‘de zoon of de neef van’, ik ben gewoon Douwe, veertien jaar.

Regendruppels glijden van het afdakje boven de voordeur in mijn nek. Ik trek mijn schouders op, haal diep adem en bel aan, op goed geluk.